Zelftest vertrouwenspersoon

Met deze vragenlijst kun je je (zelf)reflectieproces alvast op gang brengen.
Aan het eind zie je dan wat je voorkeurshouding is en wat je minst geprefereerde houding is.

Stap in je rol van vertrouwenspersoon en geef aan in welke mate je je herkent in de aannames (eerste deel) en hoe vaak je welke interventies pleegt (tweede deel).

  Stelling Zeer mee eens Mee eens Mee oneens
1 Het is belangrijk om veel te weten over de achtergrond van de melder.
2 Ik heb als vertrouwenspersoon bruikbare kennis, die de melder niet heeft.
3 Een gesprek moet duidelijk resultaat opleveren.
4 Soms is stil zijn en met aandacht luisteren het beste wat je kunt doen.
5 Het is zinvol om stil te staan bij wat er bij de melder van binnen gebeurt tijdens ons gesprek.
6 Een goed afgestemde speelse opmerking of grapje kan soms wat lucht brengen.
7 Voordat ik in gesprek ga, onderzoek ik wie de melder precies is.
8 Het is belangrijk om de melder te bevestigen dat het goed is dat hij of zij gekomen is.
9 Ik zie voel mij verantwoordelijk voor een goede aanpak van de melding.
10 Het is nodig om emoties eerst de ruimte te geven, voordat we verder kunnen.
11 De melder weet van binnen wat goed voor hem of haar is, ik begeleid alleen bij het vinden van dat inzicht.
12 Een beetje humor kan heilzaam zijn op zijn tijd.
13 Het is belangrijk om een duidelijk gezamenlijk beeld te krijgen van wat er precies is gebeurd.
14 Mijn toegevoegde waarde zit hem in mijn objectieve blik en analytisch vermogen.
15 Ik moet ervoor zorgen dat de melder een helder plan van aanpak krijgt.
16 Door oordeelvrij te luisteren, creer ik een veilige leeromgeving.
17 De melder weet zelf het beste wat hij of zij te doen heeft.
18 Ik doe het goed, als de melder het idee heeft dat hij of zij mij eigenlijk niet nodig heeft en zich krachtig voelt.



  Interventies Vaak Soms Zelden
19 Vragen stellen over de feitelijke situatie.
20 Kaders stellen en jouw rol toelichten.
21 Duidelijke afspraken maken.
22 Stil zijn, luisteren, observeren en aanvoelen.
23 Vragen stellen die de melder aan het denken zet.
24 Onverwachte invalshoeken en fantasievolle ideen aandragen.
25 Vragen stellen over de context en situatie.
26 De boel helder op een rij zetten en een samenvatting of analyse geven.
27 Een concreet plan van aanpak maken met de melder.
28 Aandachtsvol luisteren met veel hummen en knikken.
29 Een processtop maken en met de melder bespreken wat er in het hier-en-nu bij hem of haar gebeurt.
30 De melder een beetje uitdagen en prikkelen om de eigen kracht te (her)activeren.
31 Doorvragen op feiten.
32 Vertellen over de juridische aspecten en/of de mogelijkheden om stappen te zetten.
33 Iets oefenen met de melder.
34 Parafraseren en gevoelsreflecties geven wanneer de melder zijn of haar verhaal doet.
35 Vragen naar de behoefte van de melder.
36 Een absurde aanpak bedenken.